Tics

Tics worden omschreven als 'plotseling optredende, korte, schokachtige bewegingen van o.a. ogen, hoofd, nek, schouders, armen, ...'. Denk aan voorbeelden als knipperen met de ogen, schouders optrekken, enz. Ze kunnen echter ook bestaan uit geluiden, daarbij zijn enkele bekende voorbeelden kuchen, piepgeluiden maken, fluiten,... Sommige kinderen hebben meer ingewikkelde tics, bv. een huppelsprongetje of vertonen tics die op doelgericht gedrag lijken als dingen aanraken of iemand nazeggen. Los van de zichtbare of hoorbare tics, woden ook tics beschreven die cognitief van aard zijn. Hierbij merken we de tics niet meteen op, omdat ze zich in het hoofd van het kind of de jongere afspeelt (bv. dingen tellen, gedachtespelletjes, ...).

Ongeveer één op tien kinderen heeft er gedurende korte of langere tijd wel eens last van, meestal gaat het ook vanzelf weer over. Soms blijven de tics echter bestaan en dan bestaat de mogelijkheid dat het om een ticstoornis gaat. Het syndroom van Gilles de la Tourette is een bekende ticstoornis. Daarnaast bestaan ook de chronische ticstoornis en voorbijgaande ticstoornis. 

Bij kinderen met een ticstoornis is er eveneens een verhoogde kans op een ontwikkelingsproblematiek als ADHD, maar ook op dwangverschijnselen. Een belangrijk, maar soms moeilijk te maken onderscheid is dat dwanghandelingen worden uitgevoerd om angst te verminderen, terwijl tics niet gepaard gaan met angst.

Vaak kunnen kinderen met tics deze een tijdje tegenhouden, het verschilt echter van kind tot kind hoe lang hij/zij het precies kan tegenhouden. De sensorische sensaties spelen hierin een rol, het betreft een vervelend gevoel dat de tic aankondigt. Dat gevoel kan verschillende uitingsvormen hebben: soort jeuk, spanning, branderig gevoel, druk op spieren/botten/gewrichten, koude, warmte, ... Het uitvoeren van de tic zorgt er doorgaans voor dat deze sensorische sensatie afneemt.

In de behandeling van tics en ticstoornissen bestaan twee effectieve gedragstherapeutische methoden, namelijk exposure met responspreventie en habit reversal. Exposure met responspreventie kan je beschouwen als het 'leren tegenhouden van de tics'. Hierbij leren kinderen wennen aan de sensorische sensatie, zonder erop te reageren met een tic. Zo kan de koppeling tussen het 'alarm' en de tic verbroken worden. Om te leren wennen aan het vervelende gevoel, moeten we ons er ook even bewust van worden - geen gemakkelijke opdracht! 

Habit reversal vertaalt zich eenvoudig naar het 'leren van een tegenbeweging'. Deze methode is vooral aangewezen wanneer er slechts enkele tics zijn, omdat we ze één voor één gaan aanpakken. We kiezen samen voor elke tic een tegengestelde beweging, een beweging die eigenlijk incompatibel is met de tic. Die tegenbeweging maakt het eigenlijk onmogelijk om de tic nog uit te voeren. We moeten ons eerst bewust worden van de tic en hoe die precies verloopt, maar ook hier staan we stil bij het ticalarm. Zo kunnen we tijdig ingrijpen door de tegenbeweging uit te voeren als we de tic voelen opkomen.

Voor beide methoden is het erg belangrijk dat kinderen ook thuis oefenen, daarom spreken we telkens samen de opdrachten af.

Omdat tics niet 'genezen' kunnen worden en ook na behandeling kunnen terugkomen of verergeren, stellen we bij het einde een terugvalpreventie-plan op. Zo weten ouders en kinderen wat ze kunnen doen om de terugkeer of erger worden van tics te voorkomen en wat je kan doen als de tics toch opnieuw de kop opsteken of verergeren.