Vertraagde spraak- en taalontwikkeling

ARTICULATIESTOORNISSEN
Articulatiestoornissen kunnen worden opgedeeld in twee groepen: de fonetische en fonologische articulatieproblemen. In het eerste geval zal het kind spraakklanken niet of verkeerd uitspreken.
Het kind heeft als het ware moeite met de motorische productie ervan, waardoor de spraakklank(en) steeds op dezelfde manier vervormd worden. Lispelen hoort vb. onder de fonetische articulatieproblemen,  net als het nooit kunnen uitspreken van de /r/, de /k/, ...

Bij fonologische articulatieproblemen heeft het kind moeite met de betekenistoekenning.
Hierdoor ontstaat er een inconsistent, onregelmatig foutenpatroon. Zo zal het kind vb. het woord “kapot” tweemaal correct nazeggen of spontaan zeggen, maar een derde keer van “papot” spreken. Jonge kinderen passen doorgaans fonologische vereenvoudigingsprocessen toe omdat de taal waarin volwassenen spreken nog te moeilijk is voor hen. Wanneer een kind dergelijke processen hardnekkig blijft toepassen terwijl deze bij leeftijdsgenoten al verdwenen zijn, en/of een opeenstapeling van processen of ongewone processen gebruikt, is er sprake van een fonologisch articulatieprobleem.

Aangezien de onderliggende aard van fonetische en fonologische articulatieproblemen erg verschillend is, zal de therapie van beide stoornissen ook van elkaar verschillen. 

TAALONTWIKKELINGSTOORNISSEN
Voor het verloop van een normale taalontwikkeling dient een kind te beschikken over intacte spraakorganen, een goede aandacht/concentratie, een goed gehoor en gezichtsvermogen, een normale begaafdheid, voldoende taalaanbod en een goede motorische ontwikkeling.

Globaal verloopt de taalontwikkeling als volgt:

  • 0-1 jaar: veel en gevarieerd brabbelen
  • 1-6 jaar: een aantal onvolledige woordjes produceren
  • 2-6 jaar: minstens 2-woorduitingen, niet altijd met volledige woordopbouw
  • 3-6 jaar: 3- tot 5-woordzinnen, de grammaticale structuur is nog niet correct
  • 4-6 jaar: correcte enkelvoudige zinsstructuren, bijna alle spraakklanken zijn gekend
  • 5-6 jaar: correcte samengestelde zinnen, alle spraakklanken zijn gekend

Bij een aantal kinderen kent deze ontwikkeling een vertraagd of afwijkend verloop.
Logopedisten spreken dan van een dysfatische ontwikkeling of een primaire taalontwikkelingsstoornis. De stoornis treft zowel de ontwikkeling van de taalvorm (verbuigingen, vervoegingen en zinsbouw), taalinhoud (woordenschat) als taalgebruik.

Wanneer een kind twee-/ meertalig is opgevoed en enkel taalproblemen in de vreemde taal (Nederlands), en niet in de moedertaal (vb. Turks, Italiaans, …) ervaart, is er geen sprake van een taalstoornis, maar van een verlate taalaanvang. Het kind krijgt in de vreemde taal (Nederlands) immers minder gelegenheden om deze taal te oefenen. Hierdoor heeft het kind een zekere vertraging opgelopen.